Magazine Aan het werk

Dit voorjaar verscheen een Kamerbrief over het voorgenomen beleid voor de energietransitie in de glastuinbouw. Enkele aspecten in de brief gaan over de gebiedsaanpak waarvoor het EnergieAkkoord in Greenport West-Holland de verantwoordelijkheid heeft genomen. Er is een concept-versnellingsagenda uitgewerkt voor de energietransitie in onze regio. Wel is duidelijk dat landelijk beleid en beslissingen bepalend zijn of we in de regio voortgang kunnen boeken. Met name een reparatie van de SDE++ is noodzakelijk.

Er staan veel positieve beleidsvoornemens in die de glastuinbouw kunnen helpen in haar stappen naar klimaatneutraal. Er staan echter ook voornemens in die de glastuinbouwsector en individuele ondernemers financieel keihard kunnen raken:

  • Afschaffing verlaagd EB-tarief per 1 jan 2025
  • Afschaffing van de vrijstelling EB voor het eigen gebruik WKK per 1 jan 2025
  • Invoering van individueel CO2-systeem per 1 jan 2025 (=CO2-beprijzing)
  • Let wel: 1, 2 en 3 werken cumulatief. In najaar 2022 komt er een impactanalyse waarin cijfers helder worden. Onduidelijk is hoe en of algemene stelselwijzigingen (minder degressief, ODE schijf 2 en 3, van elektra naar gas) in belasting en ODE doorwerken op de energiebelasting die de glastuinbouwbedrijven betalen.

Gebiedsvisies
Genoemd wordt dat in 2020 gebiedsvisies zijn opgesteld met:

  • Vertaling naar 2030 (inclusief ruimtelijke ontwikkeling)
  • Onder- en bovengronds ruimtebeslag
  • Versnelling van de BuCa’s voor de voorziening van CO2, warmte en elektra
  • Verankering in de RESsen, met name in Regionale Structuur Warmte (RSW)
  • De brief benoemt dat de gebiedsaanpak versneld moet worden. Hiervoor is voldoende capaciteit en middelen nodig van regionale overheden. Van Greenports wordt verwacht dat zij pilots op gang brengen en eigenaarschap en lokaal draagvlak bevorderen.

Betekenis voor Greenport West-Holland
In de twee Regionale Energiestrategieën (RES) in de Greenport-regio zijn over de glastuinbouw de volgende zaken opgenomen:
RES 1.0 Midden Holland:

  • De glastuinbouwsector is zich bewust van de eigen verantwoordelijkheid en pakt deze samen met de betrokken overheden actief op in de Warmte Samenwerking Oostland (WSO). Dit is een samenwerkingsverband van LTO Glaskracht Nederland en de betreffende gemeentelijke overheden in het Oostland .
    De glastuinbouwsector streeft naar een besparing van 29% op de warmtevraag, en zet daarnaast in op het verduurzamen van de warmtebron om zo in 2040 klimaatneutraal te zijn.
  • Bij het scenario ‘maximale import van restwarmte’ schakelt glastuinbouw van gas naar duurzame warmte. Door de gebouwde omgeving mee te laten liften, worden aanvullende investeringen in de verzwaring van het elektriciteitsnet geminimaliseerd.
  • RES 1.0 Rotterdam Den Haag
  • Besparingsdoel 30% of meer is meegenomen
  • Ambitie om warmtetransitie in glastuinbouw en gebouwde omgeving elkaar te laten versterken.
  • Warmtesysteem Oostland en Warmtesystem Westland en Warmtesysteem/ontwikkeling geothermie Voorne-Putten worden als sleutelprogramma’s aangeduid
  • Benutten van waterbassins in glastuinbouw voor zonnepanelen

Warmtebehoefte in Greenport West-Holland
Wij herkennen ons in de ontwikkeling van de warmtebehoefte van de glastuinbouw zoals geschetst op blz. 6. In onze gebiedsvisie “ Klimaatneutrale Glastuinbouw” is opgenomen dat in onze regio met ca 4500 ha glas de warmtevraag van 34,5 PJ in 2019 door besparing zal dalen naar 23 PJ in 2040. In de tabel is de herkomst van de warmte (in PJ) opgenomen, daarbij is ook een tussendoel voor 2030 opgenomen.

2019 2030 2040
Warmtebehoefte 34,3 29 23
Geothermie 3,5 8 11,5
Restwarmte 2,0 5 7,5
Overig duurzaam 0,1 0,2 4,0
Overig fossiel 28,7 15,8 nihil

De belangrijkste voorwaarden om deze doelen te halen zijn de aanleg van de benodigde energie-infrastructuur, voldoende externe CO2-beschikbaarheid (CCS vs CCU) en doorgaande stimulering van geothermie. Daarnaast wordt uitgegaan van voortgaande kennis- en techniekontwikkeling om de besparingen en een duurzame piekvoorziening te realiseren. In de brief zien wij goede beleidsvoornemens op deze terreinen, maar een precieze invulling en uitwerking is van groot belang om voor de sector en ondernemers de juiste stimulans te vinden zodat het daadwerkelijk het beoogde effect oplevert.

Synergie Glastuinbouw en bebouwde omgeving
In Greenport West-Holland gaat veel aandacht uit naar duurzame energiebronnen en energie-infrastructuur. Wij herkennen in het bijzonder de synergie tussen glastuinbouw en bebouwde omgeving zoals genoemd op blz. 7. In warmtenetten ontstaat die synergie op drie manieren:

  1. Het 24-uurs afnamepatroon van glastuinbouw is anders als die van bebouwde omgeving
  2. De glastuinbouw gebruikt ook in zomerhalfjaar nog warmte
  3. De glastuinbouw kan op bedrijfsniveau warmte bufferen

In het ontwikkeltraject van warmtenetten en duurzame bronnen is er ook sprake van synergie. Door de grote geconcentreerde warmtebehoefte, de zakelijke afnemers en minder dicht bebouwde omgeving kunnen geothermie en warmtenetten in de glastuinbouw zich sneller ontwikkelen en kan de gebouwde omgeving in de nabijheid daar in later stadium op aanhaken. Dit patroon zien we in Westland en Oostland zich nu ook langzaam voltrekken. Knelpunten daarbij zijn de onrendabele top van de warmtenetten en de financiering van de initiële overdimensionering om later ook woonwijken aan te kunnen sluiten. Wij juichen dan ook toe dat er een voornemen is om hiervoor een subsidie-instrument te ontwikkelen (blz. 8) en vragen om hiermee haast te betrachten want veel projecten kunnen dan in 2023 en 2024 investeringsbeslissingen nemen.

Beschikbaarheid externe CO2
Voor de glastuinbouw is voldoende externe CO2 een voorwaarde om meer duurzame warmte te kunnen gebruiken. In de brief is veel aandacht voor de levering van externe CO2. In 2021 zijn er voor CCU 29 projecten aangevraagd in de SDE++ en deze wordt in najaar 2022 weer opengesteld.

Bestemmingsplanwijziging, aanlegvergunning en toestemming grondeigenaren kosten erg veel tijd bij aanleg van CO2-infrastructuur; drie jaar is geen uitzondering. Pas na verwerving kunnen bestemmingsplanwijzigingen in gang gezet worden, waarbij het erg veel tijd kost in vooroverleg om zo’n procedure op te starten, die dan vervolgens een half jaar duurt. En daarna kan dan de aanlegvergunning worden aangevraagd.

Ook aan de kant van de bronnen speelt dat vergunningstrajecten traag en moeizaam gaan met bijvoorbeeld discussies over het regelen van de ‘einde afvalstatus’ die al jaren loopt en nog altijd niet definitief is opgelost. Omgevingsdiensten lijken daarbij niet toegerust om vergunningsaanvragen door deze projecten die technologisch of qua regelgeving ‘nieuw’ zijn of nieuwe aspecten kennen, adequaat en efficiënt op te volgen.

Voor afvalenergiebedrijven is het essentieel dat zij, naast levering aan de glastuinbouw, in de winter CO2 kunnen (laten) opslaan om, middels de administratieve verrekening, het fossiele aandeel in hun uitstoot te reduceren en zo CO2-heffing te vermijden (en waarschijnlijk toekomstig ook ETS). De prikkel van CO2-heffing en (toekomstig) ETS is zo groot dat als dit niet lukt, afvalenergiebedrijven voor volledig CCS dreigen te kiezen zoals AEB vorig jaar al heeft aangekondigd al dan niet in combinatie met het verwaarden van opslag van bio-CO2 (want ook de bio-CO2 wordt dan automatisch baseload mee opgeslagen) op de markt voor vrijwillige CO2 emissiereductie, of in combinatie met andere CCU toepassingen die baseload bio-CO2 in grote hoeveelheden vragen en daar ook goed voor betalen (bijvoorbeeld voor de productie van duurzame brandstoffen, ‘E-fuels’).

Ook voor jaarrond benutting van 100% bio-CO2 bronnen, zoals Alco, is seizoensopslag met administratieve verrekening voor OCAP essentieel. Enerzijds om zo in de zomer in de balans fossiele CO2, van bijvoorbeeld Shell, te kunnen (blijven) leveren aan de glastuinbouw. Anderzijds omdat ook voor deze bronnen zich CCU-toepassingen beginnen aan te dienen voor jaarrond benutting.

Een laatste moeilijk te concretiseren punt: de CCS-projecten Porthos en Aramis staan niet te springen om seizoensopslag te accommoderen omdat er voldoende ‘base load’ aanbod voor CCS is wat voor hen eenvoudiger te hanteren is. De rijksoverheid is erg terughoudend in het nemen van een regierol hierin, ook na de ‘innovatiepilot’ die vorig jaar door EZK/LNV is uitgevoerd en waarbij nut, noodzaak en belemmeringen van seizoensopslag en de administratieve verrekening zijn benoemd. De terughoudendheid komt ook naar voren in de reactie op de moties van Valstar en Van Haga. Naast voldoende flexibiliteit en dekking in de SDE++ voor seizoensopslag, zou de rijksoverheid een rol moeten pakken richting de CCS-projecten om seizoensopslag in te richten. En andersom, nu de rijksoverheid daar geen positie inneemt maar dit naar de markt duwt, maakt dit het erg moeizaam om de CCS-projecten (wel) te overtuigen van het belang en ze te bewegen tot medewerking.

Concept-versnellingsagenda Greenport West Holland
De gebiedsaanpak kan alleen worden versneld als op enkele punten eerst het landelijke beleid aangepast wordt. De drie punten die nationaal geregeld moeten worden om in de regio stappen te kunnen maken zijn:

  1. Reparatie van de SDE++ systematiek voor toepassing van duurzame bronnen zoals geothermie in de glastuinbouw. In de praktijk is warmtevoorziening vanuit WKK standaard terwijl in de SDE-systematiek nog steeds de gewone ketel als referentie gebruikt wordt. We zien dat het gebruik van WKK zelfs bij de huidige gasprijzen aanzienlijk lagere warmteprijzen oplevert dan de duurzame alternatieven.
  2. Het subsidie-instrument voor warmtenetten welke landelijk in ontwikkeling is zal ook voor sec-glastuinbouw warmtenetten toegepast kunnen worden. Als de onrendabele top afgedekt is opent dit de weg naar realisatie van projecten.
  3. EZK/LNV of een door hen aangewezen instantie neemt regie op CCU en de benodigde administratieve verrekening van biogene CO2 bij seizoensopslag.

De versnellingsagenda voor Greenport West-Holland bestaat uit:

  1. Stakeholders in de regio bereiden meer investeringsbeslissingen voor in warmtenetten met aansluiting op duurzame bron(nen). Glastuinbouw functioneert als aanjager en als basis om in een tweede fase ook gebouwde omgeving in de nabijheid om te kunnen zetten naar warmtenetten. Vanuit dit perspectief vindt er krachtige ondersteuning van dit proces plaats door gemeenten. Concreet zien we de volgende projecten in Oostland:
    Noukoop, Wilgenlei, Noordpolder, Kleihoogt, Zuidplaspolder, Overbuurtsche polder, B3hoeknet en Pijnacker West. Realisatie van deze projecten betekent zo’n 239 mln m3 aardgasbesparing.
    In Westland gaat het om de projecten Vogelaer II, Delfland, Wippolderlaan, Polanen, Maasdijk en restwarmte van WLQ. Deze projecten besparen ca 266 mln m3 aardgasverbruik.
    Nadat en indien de landelijke voorwaarden ingevuld zijn kunnen deze projecten in 3 jaar gerealiseerd worden, met uitzondering van WLQ waar twee jaar meer voor nodig is.
  2. De grijze gebieden in OCAP-netwerk (Tinte-Vierpolders en Noukoop) worden binnen 5 jaar ontsloten door aanleg van ontbrekend distributienet. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de SDE++ op CCU en/of de 23 mln. aanvullende post van ministerie van Financiën.
  3. Tuinbouwbedrijven besparen binnen 5 jaar 15% op hun energieverbruik.
  4. Provincie en gemeenten faciliteren warmteprojecten met garantieregelingen voor o.a. vollooprisico.
  5. Gemeenten passen (vergunning)procedures aan zodat vergunningen voor CO2- en energie-infrastructuur sneller verleend kunnen worden en duurzame initiatieven (innovaties) eenvoudiger te realiseren zijn. Met name het parallel opstarten van procedures en binnen de maximale termijnen afwerken biedt de ruimte hiervoor.
  6. Provincie Zuid Holland zorgt binnen twee jaar voor duidelijke kaders en mogelijkheden voor het gebruik van de ondergrond voor (open) bodem-energiesystemen.
    Grondbedrijf HOT zal op de uit te geven gronden voor herstructurering klimaatneutrale glastuinbouw (laten) realiseren in nieuw te bouwen kassen.
    Provincie neemt een coördinerende rol in het versnellen van de ontwikkeling voor een regionaal warmtenetwerk

Bespreken met partners
Het traject voor de komende maanden is om deze versnellingsagenda met partners te bespreken en verder uit te werken. Als einde van het jaar er duidelijke signalen zijn dat er voor de drie landelijke knelpunten en voorwaarden oplossingen in het zicht zijn kan deze versnellingsagenda vastgesteld worden en een leidraad vormen voor 2023 en verder.



Pin It on Pinterest